Essays on contemporary art

Boekbespreking Monografie Jan Henderikse,Acheiropoieta, in DE NIEUWE, 20 oktober 2010.

Jan Henderikse Acheiropoieta
In Nederland zijn zorgvuldig uitgegeven, goed geschreven en gedocumenteerde monografieën van levende kunstenaars zeldzaam. Uitgeverijen zijn niet geinteresseerd, want de markt van belangstellende kunstliefhebbers is te klein. Er moet geld bij. Zonder subsidie is een kunstpublikatie hier nauwelijks mogelijk. Daardoor ontbreekt het ook aan ervaren schrijvers. In landen met een groter afzetgebied ligt dat anders. Daar worden geregeld grondige studies van eigentijdse kunst gepubliceerd.
Ook de Nederlandse kunstenaar Jan Henderikse, die in de jaren zestig van de vorige eeuw naar voren kwam als een uitgesproken vertegenwoordiger van de Zero/Nul beweging, een stroming die de werkelijkheid, zonder commentaar en zonder ingreep van de kunstenaar wilde presenteren, krijgt meer aandacht in Duitsland, waar hij van het begin af aan, na zijn verhuizing naar Dusseldorf in 1959, een bekendheid opbouwde. Na een erudiete academische dissertatie van Cathleen Haff, die in 2007 verscheen in combinatie met twee grote retrospectieven tentoonstellingen van Jan Henderikse in de musea van Schwerin en Kiel, ligt er sinds kort een zojuist in Berlijn ten doop gehouden, lijfige monografie getiteld `Jan Henderikse. Archeiropoieta` , met tekst van Renate Wiehager en Antoon Melissen, uitgegeven bij de prestigieuse uitgeverij Hatje Cantz , in de boekhandel. Behalve de instructieve essays van Wiehager en Melissen, waarin het bijzondere karakter van het werk van Jan Henderikse in de context van zijn tijd wordt geplaatst, documenteert het boek visueel, met een rijkdom aan afbeeldingsmateriaal, de ontwikkeling van het oeuvre tussen 1955 en 2010. Zo krijgt men een overzicht vanaf de Informele schilderijen en tekeningen uit de jaren vijftig, gevolgd door de opeenhopingen van in de Rijn gevonden afvalmateriaal, de gestapelde groentekisten en bierkratten, de kurken en centen agglomeraties, de weggooifotos , tot en met de accumulaties van religieuze prullaria, de Chinese begrafenis disposables en de Barokke vluchten van vergulde engelen, die in 2010 te zien waren in Delft , onder de noemer `Alles Vliegt`.
De titel Acheiropoieta , dat zo iets schijnt te betekenen als Niet door mensenhanden gemaakt, maar op miraculeuze wijze ontstaan , een begrip in verband met oude Ikonen gebruikt, is inderdaad wat plechtstatig van toepassing op het streven van Jan Henderikse om te suggereren dat zijn werk als het ware buiten hem om tot stand komt. In eenvoudiger bewoording komt het er op neer dat hij de hand van de kunstenaar zoveel mogelijk probeert te verdoezelen. Naar het voor beeld van de Ready Mades van Duchamp beperkt hij zich er toe kant en klare vondsten uit de omgeving te selecteren, vervolgens te isoleren,liefst in serie, en in een andere context, die van de Kunst, te plaatsen. Zo wordt het banale bijzonder waardevol. Wij kijken er voor het eerst echt naar. `Auctor preciosa facit`, schrijft Antoon Melissen. De onbedoelde schoonheid van het doodgewone wordt gecelebreerd. Al dat ordinaire weggooimateriaal is echter gewoon mooi, als het door Henderikse gerangschikt wordt. Hij zet er als kunstenaar wel degelijk zijn persoonlijke stempel op. Ook de tentoonstellingen zijn schijnbaar achteloos neergezet, maar toch geraffineerd esthetisch geinstalleeerd . Zo viel de installatie in Arti in 2005 met door zijn broer gemaakte vacantie snapshots van Malta , op door de speciale wijze waarop de kiekjes speels met kleurig plakband waren bevestigd in een dansend stramien, dat aan een geëxplodeerde versie van Mondriaan´s Victory Boogy Woogy deed denken.
In veel opzichten is Jan Henderikse een kind van zijn tijd, de vroege jaren zestig van de vorige eeuw, toen een hele generatie oog kreeg voor een nieuwe vorm van werkelijkheid. Terecht sprak men toen van het `Nieuwe Realisme`. Renate Wiehagen geeft een uitvoerige beschrijving van die context, van het klimaat in Dusseldorf rond 1960 en de contacten met de door Restany gepropageerde `Nouveaux Réalistes` in Parijs, waaronder Arman, Spoerri,César en Christo. Maar Jan Henderikse mag dan een kind van die vruchtbare jaren zestig zijn, een bijzonder kind was hij wel. Dat tonen Renate Wiehagen en Antoon Melissen afdoende aan. Kenmerkend voor Jan Henderikse is de exuberantie en vrolijke overdaad waarmee de banale alledaagsheid der dingen iets feestelijks krijgt . Uit de restanten van de consumptiemaatschappij ontstaat toch iets moois , wat blijft boeien.
franck gribling
Boekbespreking in DE NIEUWE, van de Monografie `Jan Henderikse . Acheiropoieta`. Auteurs , Renate Wiehager en Antoon Melissen, Hatje.Cantz Verlag,2010.ISBN 978/3/7775/2597/2.


On the work of Rob Smit, Jewel designer, Introduction Locus Solus Exhibition,Antwerp 2013.

franck gribling ON THE WORK OF ROB SMIT.  

Rob Smit (1941) is known chiefly as a designer of jewelry characterized by its unorthodoxy in both design and in the management of materials. He was trained as a goldsmith, but was engaged also - right from the very beginning - in autonomous drawing, inspired by the ZERO movement, especially by Jan Schoonhoven of Delft with whom he became friends.

The willful, unconventional way in which he made a name for himself as a precious metal designer, is nourished by his experiences as a conceptual visual artist. Since 1977 he has focused on the material properties, the qualities, of drawings under the heading of "Towards the Liberation of Drawings." This liberation of drawing is a goal, an aspiration, systematically pursued and sought after in a body of works investigating, with diverse materials, the drawing process as an action. Drawing has its limitations, dependent on and subject to the material and the context in which the work is made. Rob Smit deconstructs those factors that play a part in this process. He demonstrates that the resulting image leads it own life, independent of ontological preconceived intentions. Drawing materials, the instruments of drawing and the material on which the image is drawn, impact, inform, even organize the process of this revelatory strategy. But also the mood and the surroundings of the maker play a part. Matter goes its own way, does as it pleases whatever the mind may want or desire. It makes a difference what kind of pencil, charcoal, pastel or pen is used on what kind of surface - paper, plywood or metal. A line can be sketched, then erased. Recently, Rob Smit discovered the photocopy and the computer as a medium. Everything available and at his disposal produces a different drawing result in a process going its own way, dancing to his own tunes.

 Rob Smit demonstrates the relativity of this result, its dependence on contextually variable factors, for example, by employing anew fragments of earlier drawings. It then becomes self-evident that the mind and the conditions of the moment are equally important. The meaning lies in the unforeseen variances, where the differences of meaning are to be found. Drawings that develop and come into being in this way, are documentary testimonies of an incessant transformation of the means of expression. Panta Rhei, everything flows, and nothing remains the same, according to Heraclitus. This concept escorts and guides, resulting in the ultimate liberation of the drawings. When it comes to the crunch, the final test, they are there, paragons, the works themselves, are their own boss, sui generis, as archetypes of autonomy.

This principle also ultimately unshackles applied art from its traditional aura of being a handicraft, in Platonic terms, a mere technique. Because of his experience with drawings, Robert Smit could conceive and create ornaments which are sovereign works of art, and at the same time wearable. Even the most costly, the most precious materials - such as gold which he has a preference for - are merely means to achieve and bring about the effect of an independent work of art. The emancipation of the drawings has led to this. It has been a process of many years. THE PRESENT IS THE RESULT OF THE PAST. This also applies to the developmental evolution of the work of Robert Smit  

Frank Gribling (2013)  
Translated from the Dutch by Susan Janssen & William Levy